klap

Thesaurus

klap:

opstopperpeut, stoot,
Vertalingen

klap

Schlag, Anschlag, Hieb, Streich, Treffenblow, knock, bang, belt, clout, smash, hitcoup, bataille, clac!, infortune, claque, coup sec, gifle, jeton, pain, pêche, tapebattuta, fendente, folata, soffiare, colpo, successoضَرْبَة, لَطْمَةnáraz, úderslag, træfferκτύπημα, χτύπημαgolpeiskupogodak, udarac強打, 衝突강타, 타격slag, støtdmuchnięcie, uderzeniebatida, pancada, soproударslag, succéการตี, ถูกต่อยçarpma, darbecú đánh, đòn đánh打击, 拳打מכה (klɑp)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -pen
1. hard geluid De vogel vloog met een klap tegen het raam.
2. tik of slag met de hand Het meisje gaf het buurkind een klap
een goed begin is erg belangrijk voor het vervolg
3. gebeurtenis die iets of iemand pijnlijk treft Als er geen vrijwilligers waren, zou de maatschappij een gevoelige klap krijgen. Zijn dood heeft me een geweldige klap gegeven.
4. in één keer door de brand in één klap alles kwijt zijn
5. helemaal niets Dat interesseert me geen klap.