kind

Thesaurus
Vertalingen

kind

Kind, Abkomme, Abkömmling, Ableger, Sproß, Sprößlingchild, infant, bairn, offspring, young, kidenfant, petite, héritier, petit/petite, gossekindanakdzieckocopilbarn, ungecon, đứa trẻπαιδίребёнок, малыш, ребенокfanciulla, fanciullo, bambinoطِفْل, طِفْلٌděcko, dítěbarnchaval, chiquillo, niñolapsidijete子供아이barn, ungecriançaเด็กçocuk孩子, 小孩дете (kɪnt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -eren
1. jong persoon die nog niet volwassen is Buiten spelen kinderen op straat.
geen last hebben van (iemand) Hij zit zo lief te spelen. Je hebt geen kind aan hem.
volwassene die zich als een kind gedraagt Sommige mannen zijn net grote kinderen.
vanaf je kindertijd Ik ken hem al van kind af aan.
het is heel makkelijk
2. zoon of dochter Zij is een kind van mijn broer. ervoor kiezen om geen kinderen te krijgen
als je geen broertje of zusje hebt
helemaal geen familie hebben
(ergens) vaak komen