| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.769.404.314 Bezoekers. |
|
kennen |
0,03 sec. |
|
kennen ww kennen (kende enk ovt; heeft gekend volt deelw) [ˈkɛnə(n)]
1 kennis (1) hebben van iets of iemand;= bekend zijn met;= vertrouwd zijn met Ik heb wel over hem gehoord, maar ik ken hem niet. 2 (iets) weten doordat je het geleerd hebt Ik heb de stukken goed bestudeerd en ken de zaak nu goed. leren kennen kennismaken met;= ontmoeten Ze lijkt me interessant. Ik wil haar wel leren kennen. leren kennen ervaren hoe iets of iemand is Door al onze vakanties hebben we dat gebied goed leren kennen. In deze ellende hebben we elkaar veel beter leren kennen. te kennen geven duidelijk maken Ik gaf te kennen dat ik wilde omkeren. je niet laten kennen het niet opgeven Mislukt! Maar ik laat me niet kennen en probeer het nog een keer. je laten kennen iets doen dat toont hoe je op dat moment bent Ik heb mezelf laten kennen door terug te schelden. van buiten/uit je hoofd kennen zo goed kennen dat je (iets) uit je geheugen kunt zeggen Ik ken zijn telefoonnummer uit mijn hoofd. Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|