keer

Vertalingen

keer

(ker)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud keren
moment dat iets gebeurt Ik ben twee keer gezakt voor mijn rijexamen. Mislukt. Ik probeer het nog een keer.
bijna altijd
telkens weer

keer

Abwechslung, Änderung, Mal, Tausch, Veränderung, Wechsel, Wende, Wendungtime, occasion, about‐face, alteration, change, conversion, transformation, turn, timesfois, transformation, tournure, altération (ker)
voorzetsel
<je zegt dit woord als je een getal vermenigvuldigt met een ander getal> Twee keer drie is zes.