kappen met

Vertalingen

kappen met

(kɑpə(n) mɛt)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd kapte met , voltooid deelwoord is gekapt met
ophouden met (iets), of een relatie verbreken met (iemand) Kap met dat gezeur! Ik wil kappen met mijn vriend, omdat hij zo jaloers is.