kant

Thesaurus

kant:

zijze, zijkant, zijde, kantkloswerk,
Vertalingen

kant

Spitze, Bord, Flanke, Gestade, Grat, Kante, Küste, Rand, Saum, Seite, Strand, Uferlace, edge, brim, margin, shore, side, bank, border, brink, edging, fringe, rim, bumper, hand, linecôté, dentelle, bord, flanc, marge, rive, lisière, direction, arête, face, aspect, part, sensrenda, laçocordonare, punta, merlettoتَخْزِيـمَةٌkrajkakniplingδαντέλαencajepitsičipkaレース레이스kniplingkoronkaкружевоspetsลูกไม้danteldây buộc花边 (kɑnt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. rand (van iets) je auto aan de kant van de weg zetten spullen uit je boot op de kant zetten
niet meedoen mensen die aan de kant staan weer aan het werk krijgen
onzin zijn Zijn verhaal raakt kant noch wal.
(iets) wegdoen of stoppen met (iets) je winkel aan de kant doen omdat je oud bent
2. smal vlak (van iets) Bij de rellen zijn auto's op hun kant gezet.
3. elk van twee tegenover elkaar liggende delen Aan de ene kant van de straat zijn de even huisnummers, aan de andere kant de oneven nummers. aan één kant doof zijn linkerkant rechterkant
op de ene manier bekeken ... op de andere manier bekeken Aan de ene kant wil ik graag naar haar verjaardag, aan de andere kant voel ik me ziek.
4. richting Van alle kanten komen mensen hierheen. Je moet die kant op.
veel mogelijkheden hebben met (iets of iemand) Met die opleiding kun je alle kanten op.
5. homoseksueel zijn
6. zelfmoord plegen
7. het huis opruimen
8. nogal groot Dat huis is voor ons aan de grote kant.