kampioen

Thesaurus

kampioen:

titelhouderwinnaar,
Vertalingen

kampioen

championchampion, champion/-onnecampioneبَطَلmistrmesterSiegerπρωταθλητήςcampeónmestarišampion優勝者챔피언mestermistrzcampeãoчемпионmästareผู้ชนะเลิศşampiyonnhà vô địch冠军Шампион冠軍אלוף (kɑmpiˈjun)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
sport winnaar van een kampioenschap Hij is Nederlands kampioen mountainbiken geworden.