jullie

Vertalingen

jullie

dein, deinig, dich, dir, euch, euer, eurige, Ihnen, ihr, ihrige, Sieyou, thee, toyou, ye, yourvous, votre, ta, ton, à vous, tes, tien, vos, votre/vosvosotrosвыคุณduأنتDu당신vocêאתה (ˈjʏli)
voornaamwoord
1. < je zegt dit woord als je tegen twee of meer mensen praat> Gaan jullie mee?
2. < je zegt dit woord als iets van twee of meer mensen is> Is dit jullie auto?