juist

Thesaurus

juist:

zojuistzo, zonet, uitgerekend, kloppend, precies,
Vertalingen

juist

(jœyst)
bijvoeglijk naamwoord
als iets is zoals het moet zijn een juist antwoord op een vraag geven Het is een juist besluit geweest om hem van school te sturen.

juist

richtig, bestimmt, bündig, eben, exakt, genau, gerade, im Recht, just, präzis, präzise, pünktlich, recht, rechthabend, soeben, zutreffend, direktcorrect, just, precise, proper, right, striking, true, accurate, exact, exactly, justnow, okay, sharp, correctly, rightlyjuste, vrai, exact, justement, précisément, précis, proprement, correct, à l'instant, qui a raison, correctement, heureux/-euse, juste(ment), venir de, bon/bonne, exactement, même, valable, à juste titre, biencorrecto, con razón, correctamentecorretto, correggere, emendare, perfezionare, correttamente, proprioبِحَقٍّ, صَحِيح, عَلَى حَقّsprávně, správnýrigtig, rigtigtορθός, σωστάoikea, oikeinispravan, ispravno正しい, 正しく올바르게, 옳게, 정확한riktigdobrze, prawidłowy, słuszniecerto, corretamente, correto, direitoправильно, правильныйrättถูกต้อง, อย่างถูกต้อง, อย่างถูกต้องและยุติธรรมadalete uygun olarak, doğru, doğru olarakđúng, đúng đắn正当地, 正确的 (jœyst)
bijwoord
1. <als woord dat een ander woord versterkt> Juist nu is het weer om te gaan zeilen. Neem toch vrij, juist omdat je zo moe bent. Ze zijn zeer integer. Juist daarin onderscheiden ze zich van veel anderen.
2. <als woord om een tegenstelling uit te drukken> Hij gaat nu met verkeerde vrienden om, terwijl hij vroeger juist zo braaf was. Waarom ben je zo negatief over je prestaties, het gaat juist heel goed.