jou

Vertalingen

jou

dich, dir, euch, Ihnen, Sieyou, thee, tothee, toyou, thoutoi, à toi, t', tea loro, a te, loro, si, te, tu, voiвыvocêأنتDuאתה당신duคุณ (jɑu)
voornaamwoord
<je zegt dit woord als degene tegen wie je praat het meewerkend voorwerp of lijdend voorwerp van de zin is> Dit boek geef ik aan jou, het andere aan hem. Ik heb jou gisteren nog gebeld.