jagen

(doorverwezen van joeg)
Vertalingen

jagen

jagenhunt, chase, grubchasser, se dépêcher, se hâter, se précipiter, courir (après), poursuivre, pressercazarcacciare, cacciaيَصِيدُlovitjageκυνηγώsaalistaaloviti狩りをする사냥하다jagepolowaćcaçarохотитьсяjagaล่าสัตว์avlamaksăn mồi猎食 (ˈjaxə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd jaagde, joeg , voltooid deelwoord heeft gejaagd
1. (dieren) proberen te vangen of (iets of iemand) proberen te verwerven jagen op konijnen jagen op de klanten van een concurrerende bank
2. dwingen te gaan in de richting van Hij jaagt de kat de tuin uit. iemand de dood in jagen
veroorzaken dat iemand veel geld moet uitgeven De verbouwing van zijn huis heeft hem wel op kosten gejaagd.
3. (geld) snel opmaken Hij heeft in een maand de hele erfenis erdoor gejaagd.