je

Thesaurus

je:

joujij, jouw,
Vertalingen

je

dein, deinig, dich, dir, euch, euer, eurige, Ihnen, Ihr, ihrige, Sie, du, manyou, your, thee, tothee, toyou, thouta, te, toi, ton, votre, tu, à toi, à vous, t', tes, tien, vous, ton/ta/tes, vosεσύa loro, a te, loro, si, te, tu, voidintwójвашseudin당신의שלך ()
voornaamwoord
1. degene tegen wie je praat <als die het onderwerp van de zin is> Ga je morgen ook weg?
2. degene tegen wie je praat <als die het meewerkend voorwerp of lijdend voorwerp van de zin is> Ik heb je dat boek al gegeven. Ik kom je ophalen.
3. <je zegt dit als iets het eigendom is van degene tegen wie je praat> Hier is je jas.
4. <je zegt dit als je over mensen in het algemeen praat> Zoiets doe je niet.
Er zijn mensen die...