jawel

Thesaurus

jawel:

welwaterput, welnu,
Vertalingen

jawel

doch, jayes, yeahsi, oui, bien, oïlsi, כןдаใช่KylläДаはいJaναιJatakAnoنعمsim (jaˈwɛl)
tussenwerpsel
<je zegt dit als je een ontkennende vraag of een bewering tegenspreekt> Je gaat zeker niet naar je werk? Jawel, ik ga zo. "Ik ga niet naar school." "Jawel, je moet."