jatten

(doorverwezen van jatte)
Thesaurus

jatten:

stelen
Vertalingen

jatten

chiper, barboter, chaparder, chauffer, faucher, piquersteal (ˈjɑtə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd jatte , voltooid deelwoord heeft gejat
stelen Die smeerlap heeft mijn fiets gejat.