janken

(doorverwezen van jankte)
Vertalingen

janken

winselnhurler, piailler, pleurer, pleurnicher, bêler, glapir (ˈjɑŋkə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd jankte , voltooid deelwoord heeft gejankt
1. (van bepaalde dieren) hoog en klagend geluid maken De hond van de buren is alleen thuis en jankt voortdurend.
2. (van mensen) huilen Wat een rotzooi is het hier. Ik kan wel janken.