jacht

Thesaurus

jacht:

jachtpartijjagen,
Vertalingen

jacht

(jɑxt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
grote boot, die iemand voor zijn plezier of sport heeft zeiljacht

jacht

Jacht, Jagd, Yacht, Weidwerkyacht, chase, hunt, huntingchasse, yacht, ruéejachta, lovγιοτ, κυνήγιyate, caceríajahthuvipursi, jahti, huvialus, metsästysjahta, lovjachtyacht, panfilo, cacciaヨット, 狩りяхта, охотаjahtaصَيْدٌ, يَخْتjagt, yacht사냥, 요트jakt, lystbåtjacht, polowaniecaça, iatejakt, yachtเรือใบสำหรับใช้ท่องเที่ยวหรือแข่งเรือ, การล่าสัตว์av, yatsự đi săn, thuyền buồm打猎, 游艇 (jaxt)
zelfstandig naamwoord meervoud
keer dat je jaagt op jacht gaan om konijnen te vangen
veel moeite doen om (iets of iemand) in handen te krijgen jacht maken op aanbieders van illegale muziek