instrument

Thesaurus

instrument:

muziekinstrument
Vertalingen

instrument

Instrument, Werkzeuginstrument, toolinstrument, organe, outil, produit, ustensileinstrumento, herramienta, utensilio, útilstrumentoأَدَاةٌ, آلةٌ مُوسِيقيَّةnástrojinstrumentμουσικό όργανο, όργανοsoitin, välineinstrument器具, 楽器도구, 악기instrumentinstrument, przyrządinstrumentoинструментinstrumentเครื่องดนตรี, เครื่องมือalet, enstrümandụng cụ, nhạc cụ仪器, 乐器инструмент儀器 (ɪnstryˈmɛnt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. voorwerp waarmee je muziek maakt De instrumenten van een blaaskwintet zijn fluit, hobo, klarinet, hoorn en fagot.
2. voorwerp dat je gebruikt bij nauwkeurig werk de instrumenten van een chirurg
3. middel dat bij iets helpt De stemwijzer is een goed instrument om te helpen kiezen op een partij.