| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.786.604.457 Bezoekers. |
|
tijd |
0,01 sec. |
|
tijd zn m tijd (-en mv) [tɛit]
1 opeenvolging van de momenten tussen vroeger en later 2 bepaald punt in een opeenvolging van momenten;= tijdstip;= moment 3 deel van de opeenvolging van momenten;= periode lange/geruime tijd 4 rijtje van werkwoordsvormen die het heden, verleden of toekomst aanduiden de verleden tijd de toekomende tijd zeeën van tijd hebben helemaal geen haast hebben de tijd aan zich hebben geen haast hebben De tijd dringt. het moet snel gebeuren De tijd vliegt. de tijd gaat snel voorbij de tijd verdrijven iets doen waardoor het lijkt dat de tijd sneller gaat Dat heeft de tijd. dat kan wachten De tijd zal het leren. dat zullen we later weten De tijd heelt alle wonden. uiteindelijk gaat al het verdriet voorbij als ik tijd van leven heb als ik dan nog leef in minder dan geen tijd heel snel na verloop van tijd als er een periode voorbij is op tijd komen op het afgesproken moment komen hoogste tijd om te vertrekken het moment is echt daar om weg te gaan bij tijd en wijle soms van tijd tot tijd af en toe, soms over tijd zijn (van vrouwen) niet ongesteld worden op het uitgerekende moment (en dus misschien zwanger zijn) Heeft u de juiste tijd? weet u hoe laat het is? te allen tijde altijd te zijner tijd op een later, nog niet bepaald moment vrije tijd de uren en dagen dat je niet werkt Je tijd is om. je tijd is voorbij ten tijde van Filips de Schone in de periode dat Filips de Schone aan de macht was uit de tijd zijn achterhaald, ouderwets zijn bij de tijd zijn modern zijn de hulpwerkwoorden van tijd de werkwoorden 'hebben', 'zijn' en 'zullen' Thesaurus tijd: tijdstip Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|