in

Thesaurus

in:

teter,
Vertalingen

in

(ɪn)
bijwoord
1. uit in een richting naar binnen De pianist komt de zaal in.
2. uit in de mode Een kaalgeschoren hoofd bij mannen is in.
3. sport binnen de lijnen De bal is in.
4. dat kan ik niet geloven
5. iets kunnen begrijpen Ik kan erin komen dat hij na al die ellende niet meer naar zijn ouders gaat.

in

in, nach, pro, zu, hinein, innerhalbin, inside, into, a, per, within, on, able, consider, during, epitomize, geminate, merge, nest, RIP, up to, ontodans, en, à, au milie de, parmi, à la mode, branché, câblé, in, pendant, sous, à/au (à+le)/aux (à+les), entre, paren, dentro dei, inn, inn i, innen, al, tramite, all’interno, in, suداخِلْ, في, فِي, قِيdo, vi, ind i, inden i, ombord påεντός, μέσα, μέσα σε, σεjhk suuntaan tai paikkaan, jhk t. jtak kohti, sisällä, -ssau・・・に, ・・・の中に, ・・・の中へ, ・・・の内側に...안으로, ...의 안에, ...의 안쪽에, ~안으로, ~에do, do środka, w, wewnątrzdentro, em, em um, entrar, no, para, para dentro deв, внутри, наi, in i, inne, påเข้าไปใน, เข้าไปข้างใน, เข้าไปยัง, ใน, ข้างในde, da, içeri, içeride, içinde, içine, nebên trong, trên, vào lúc, vào trong, 到…里面, 在...内部, 在...里, 进入, 进入…里в (ɪn)
voorzetsel
1. <je gebruikt dit woord voor de plaats waarbinnen iets of iemand is> de auto in de garage zetten
2. <je gebruikt dit woord voor een tijdstip of tijdsduur> In het jaar 2000 waren hier veel toeristen. In een uurtje zijn we bij je.
3. <je gebruikt dit woord voor een getal of hoeveelheid> een taart in twaalf stukken verdelen
tussen veertig en vijftig jaar oud zijn
4. <je gebruikt dit woord als vast voorzetsel bij andere woorden> in slaap vallen de handel in aandelen goed zijn in rekenen in hoog tempo je geld uitgeven Hoe een beschaafd mens kan veranderen in een bruut.