immers

Thesaurus

immers:

namelijk
Vertalingen

immers

allerdings, freilich, immerhin, ja, ja doch, wohl, zwarsurely, certainly, indeed, rathersi, certes, d'abord (ˈɪmərs)
bijwoord
<je zegt dit als je de reden van iets geeft> Eet maar niet van dat gebak. Je bent immers te dik.