huur

Thesaurus

huur:

huursom
Vertalingen

huur

rent, hire, rental, rentmoneyloyer, location, bailMiete, Mietenaffitto, appigionare, noleggiare, noleggioإيجار, إيجَارnájemné, pronájemlejeενοίκιο, μίσθωσηalquiler, arriendovuokra, vuokrausnajam, najamnina賃借り, 賃貸料대여, 임대료leieczynsz, najemaluguel, aluguerарендная плата, прокатhyraการให้เช่า, ค่าเช่าkira, kiralamatiền thuê, việc thuê租金, 租用под наем租金 (hyr)
zelfstandig naamwoord meervoud huren
1. het huren Mijn huisbaas heeft me de huur opgezegd.
als iets gehuurd kan worden Dit huis staat te huur
2. bedrag dat je betaalt om iets te huren De huren van huizen gaan dit jaar weer omhoog.