hurken

Vertalingen

hurken

(ˈhʏrkə(n))
zelfstandig naamwoord meervoud meervoud
met gebogen knieën op je voeten zitten

hurken

kauern, ducken (sich)crouch, squat, cower, crouch downêtre accroupi, s'accroupir, accroupir: s'accroupir, s’accroupiracocorar, agachar-seيَرْبِضُpřikrčit sekrybe sammenκάθομαι ανακούρκουδαagacharse, ponerse en cuclillaskyyristyäčučnutiaccovacciarsiうずくまる웅크리다huke (seg) nedprzykucnąćприсестьhuka (sig) nerหมอบลงçömelmekcúi xuống蹲下 (ˈhʏrkə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd hurkte , voltooid deelwoord heeft gehurkt
op je hurken gaan zitten De dokter hurkte bij het kind dat was aangereden door een auto.