hun

Vertalingen

hun

ihnen, ihre, sie, ihrtheir, her, its, them, his, tothem, theyleur, Hun, les, à elles, à eux, la leur, le leur, les leurs, leurs, leur(s), euxal suo, di ella, loroمِلْكُهُمjejichderesδικός τουςsu, susheidännjihov彼らの그들의deresichdelesихderasของเขาเหล่านั้นonlarıncủa họ他们的שלהם (hʏn)
voornaamwoord
1. <je zegt dit als iets van meer mensen is> De buren hebben hun huis verkocht.
2. <je zegt dit als je over meer mensen praat> aan of voor betrokkenen Ik heb hun mijn huisadres gegeven.