hulp

Vertalingen

hulp

Hilfe, Assistent, Beihilfe, Beistand, Gehilfe, Handreichungaid, help, helper, assistant, assistent, assistance, supportaide, adjoint, assistance, auxiliaire, femme de ménage, secours, appointβοήθειαaiutante, aiutoإِعَانَة, مُسَاعَدَةpomochjælpayudaapupomoć援助도움, 원조bistand, hjelppomocajuda, auxílioпомощьhjälp, hjälpmedelความช่วยเหลือyardımsự giúp đỡ, sự viện trợ帮助, 援助Помощעזרה (hʏlp)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
1. iemand die je helpt een hulp zoeken voor vier uur per week voor het huishouden hulp in de huishouding bejaardenhulp
2. keer dat je helpt of geholpen wordt hulp bieden aan slachtoffers van een ramp je buren om hulp vragen als je ziek bent
het geven van de dringendste hulp na een ongeluk