huiveren

Vertalingen

huiveren

beben, frösteln, zittern, zucken, schaudernquiver, shiver, tremble, shuddergrelotter, trembler, frissonner, hésiter (à), tressailliraver dei brividi, fremitoيَنْتَفِضُtřást seskælveανατριχιάζωestremecersepuistattaastresti se身震いする떨다grøssezadrżećestremecerсодрогатьсяrysaสั่นระริกด้วยความกลัวkorkuyla titremekrun bắn lên战栗 (ˈhœyvərə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd huiverde , voltooid deelwoord heeft gehuiverd
even met je lichaam trillen huiveren van spanning bij een enge film
afkeer hebben van Puristen huiveren voor de taal van chatters.