huis

Thesaurus

huis:

stulp
Vertalingen

huis

Haus, Familie, Geländehouse, family, home, premisesmaison, famille, boîtier, caisse, locauxσπίτι, στεγασμένος χώροςcasa, localcasa, famiglia, localiдом, здание и прилегающая территорияالـمَبْنَى وَالأَرَاضِي التَّابِعَه لَهُ, بَيْتٌdům, prostoryejendom, husalue, talokuća, prostorije土地建物, 家부동산, 주택eiendom, husdom, lokalcasa, estabelecimentoförutsättningar, husที่ดินและสิ่งปลูกสร้าง, บ้านbina ve etrafındaki arazi, evkhuôn viên, ngôi nhà地产, 房屋Къщаבית (hœys)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud huizen
gebouw om in te wonen na een logeerpartij weer naar huis gaan
vanuit je opvoeding Van huis uit ben in katholiek, maar ik ga nooit naar de kerk. Ik was vanmorgen laat, maar van huis uit sta ik vroeg op.
nog grotere problemen krijgen
gevangenis
iedereen heeft zo zijn moeilijkheden