horen bij

Vertalingen

horen bij

يَنْتَمِي إِلىpatřittilhøregehören (zu)ανήκω σεbelong, belong topertenecer akuulua (jollekulle tai johonkin)appartenir àpripadatiappartenere a・・・のものである(…의) 것이다tilhørenależeć do (kogoś)pertencer aбыть собственностьюtillhöraเป็นสมาชิกของait olmakthuộc về属于 (ˈhorə(n) bɛi)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd hoorde bij , voltooid deelwoord heeft gehoord bij
1. passen bij (iets of iemand) Welke adressen horen bij die namen?
2. (van personen of dingen) een stel vormen of samen zijn U bent aan de beurt, want wij horen bij elkaar. Die schoenen horen bij elkaar.