hoop

Vertalingen

hoop

(hop)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud hopen
1. allerlei dingen rommelig op elkaar je vuile kleren op een hoop gooien vuilnishoop
geen onderscheid maken tussen verschillende dingen Je kunt niet iedereen op één hoop gooien.
we hebben niet zo veel geld dat je maar van alles kunt kopen
2. grote hoeveelheid Ik heb een hele hoop boeken.
3. bergje poep De hond deed een hoop op het grasveld.

hoop

Hoffnung, Haufen, Ar, Menge, Stapelpile, bevy, collection, crowd, heap, hope, mass, multitude, accumulation, group, herd, set, stack, bundle, loadespoir, amas, espérance, masse, tas, foule, pile, bande, collection, ensemble, multitude, troupe, crotte, tas (de), monticule, paquet, échafaudageελπίδα, σωρόςesperança, amontoado, pilhaнадежда, куча, стопкаcalca, quantità, spingere, mucchio, pila, speranzaأَمَل, كَوْمَةhalda, hromada, nadějedynge, håb, stakesperanza, montón, pilakasa, pino, toivogomila, hrpa, nada希望, 積み重なったもの, 積み重ね무더기, 퇴적물, 희망håp, haug, stabelnadzieja, sterta, stoshög, hoppกอง, ความหวังumut, yığınđống, niềm hy vọng希望, 希望 (hop)
zelfstandig naamwoord subentry vervalt als onderscheid tussen mannelijk, vrouwelijk en 'de' vervalt meervoud
wens of verwachting dat iets dat je graag wilt zal gebeuren de hoop op een mooie zomer Ik heb goede hoop dat we droog thuiskomen.
wens die niet vervuld wordt of kan worden Het is ijdele hoop om te denken dat je die baan wel krijgt.
door hoop houd je het vol in moeilijke tijden