hoog

Thesaurus

hoog:

schelhooggelegen,
Vertalingen

hoog

hoch, erhabenhigh, lofty, tall, sharphaut, élevé, de façon élevée, grandement, haute, hautement, important, aigu/aigüe, grand, puissantaltamente, altissimo, elevato, alto, in altoalto, altamente, elevadoвысокий, большой, высокоعَالٍ, عالٍ, مُرْتَفِعvysoko, vysokýhøj, højtυψηλός, ψηλά, ψηλόςaltokallis, korkea, korkeallaglasan, visok, visoko高い, 高く고음의, 높은, 높이høy, høytwysoki, wysokohög, högtเป็นกองสูง, จำนวนมาก, สูงfahiş, yüksek, yüksektecao, trên cao高度地, 高的 (hox)
bijvoeglijk naamwoord
1. laag als iets zich ver naar boven uitstrekt of zich op een punt ver boven bevindt een hoog flatgebouw hoog in de bergen wonen De kamer is drie meter hoog.
stellig een mening bij hoog en bij laag volhouden
2. groot een hoog inkomen hebben hoge koorts hebben
hevig worden De spanning loopt hoog op.
zeer Hun relatie is in hoge mate verstoord door ruzie.
3. laag maatschappelijk of moreel belangrijk een hoge positie bekleden
een goede reputatie hebben Vanwege zijn kwaliteiten staat hij bij iedereen in ons bedrijf hoog aangeschreven.
heel positieve dingen zeggen over (iets of iemand) De minister geeft hoog op van de samenwerking met de betrokken instanties.
4. laag (van geluid) met een hoge frequentie van de geluidsgolven en soms een beetje scherp Als je vrolijk bent, gaat je stem vaak omhoog. Een alarm heeft meestal een hoog geluid.
5. ik heb er last van, het zit me dwars Die hele werksituatie zit me nogal hoog.
6. het is nu dringend nodig dat/om... Met die wildgroei van bedrijfsterreinen is het nu de hoogste tijd om maatregelen te nemen.