| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.758.776.327 Bezoekers. |
|
hoog |
0,04 sec. |
|
hoog bn hoog [hox]
1 als iets zich ver naar boven uitstrekt of zich op een punt ver boven bevindt; laag een hoog flatgebouw hoog in de bergen wonen De kamer is drie meter hoog. 2 groot;= aanzienlijk een hoog inkomen hebben hoge koorts hebben 3 maatschappelijk of moreel belangrijk; laag een hoge positie bekleden 4 (van geluid) met een hoge frequentie van de geluidsgolven en soms een beetje scherp; laag Als je vrolijk bent, gaat je stem vaak omhoog. Een alarm heeft meestal een hoog geluid. bij hoog en bij laag stellig een mening bij hoog en bij laag volhouden hoog oplopen hevig worden De spanning loopt hoog op. in hoge mate zeer;= erg;= ernstig Hun relatie is in hoge mate verstoord door ruzie. hoge nood hebben dringend moeten plassen hoog aangeschreven staan een goede reputatie hebben;= goed bekend staan Vanwege zijn kwaliteiten staat hij bij iedereen in ons bedrijf hoog aangeschreven. hoog opgeven van heel positieve dingen zeggen over (iets of iemand) De minister geeft hoog op van de samenwerking met de betrokken instanties. Het zit me hoog. ik heb er last van, het zit me dwars Die hele werksituatie zit me nogal hoog. het is de hoogste tijd om... het is nu dringend nodig dat/om... Met die wildgroei van bedrijfsterreinen is het nu de hoogste tijd om maatregelen te nemen. Thesaurus hoog: schel, hooggelegen Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|