hoofd

Thesaurus
Vertalingen

hoofd

Kopf, Chef, Haupt, Rubrik, Überschrift, Leiterhead, header, pate, superscription, boss, chief, column, principaltête, chef, rubrique, directeur, inscription, chef (de famille), directeur/-trice, en-tête, crâneκεφάλι, επικεφαλήςcabeza, jefeголова, директорtesta, capoرَأْس, رَئِيسhlava, vedoucíhoved, lederpää, rehtoriglava, poglavar長, 頭머리, 우두머리hode, sjefgłowa, zwierzchnikcabeça, director, diretorchef, huvudครูใหญ่, ศีรษะbaşcái đầu, người đứng đầu, 首脑 (hoft)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. bovenste deel van je lichaam, met je ogen, neus, mond, oren en hersenen je hoofd schudden omdat je iets niet goed vindt je hoofd kaal scheren omdat je dat stoer vindt staan
(van moeilijkheden) te groot worden voor iemand Door drukte groeit het werk me momenteel boven het hoofd.
dreigen te gebeuren (van iets vervelends) Er hangt hem een celstraf van vijf jaar boven het hoofd.
per ongeluk niet zien of aan denken Ik heb die mogelijke oorzaak over het hoofd gezien.
zo leren dat je het zonder hulpmiddel weet een gedicht uit je hoofd leren
pessimistisch zijn over (iets) Ik heb er een hard hoofd in of we de finale zullen halen.
hard nadenken over (iets)
ik heb het erg druk
ik ben daar niet voor in de stemming
2. iemand die de leiding heeft van een onderdeel van een organisatie hoofd van de afdeling personeelszaken
3. korte zijde van de tafel De jarige zit aan het hoofd van de tafel.