hok

Thesaurus

hok:

huthutje,
Vertalingen

hok

pen, stycabane [lapin], niche [chien], poulailler [poule], réduit, taudis, clapier, baraque, cabane, cage, chenilStallstalla (hɔk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ken
kleine ruimte voor dieren of om dingen in te bewaren konijnen in een hok in de tuin hebben fietsenhok berghok