hit

Thesaurus
Vertalingen

hit

Steckenpferdnag, ponychanson à succès, tube (hɪt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
1. liedje dat heel populair is een hit scoren
ranglijst van meest verkochte hits
2. resultaat van een zoekactie op internet Vaak zijn er te veel hits om ze allemaal te kunnen bekijken.