hinderen

(doorverwezen van hinderde)
Vertalingen

hinderen

beengen, behindern, belästigen, genieren, lästig fallen, störenbother, disturb, hinder, trouble, interferegêner, déranger, contrarier, embarrasser, importuner, obstruerfrastornare (ˈhɪndərə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd hinderde , voltooid deelwoord heeft gehinderd
lastig of vervelend zijn voor (iets of iemand) De radio hindert me bij mijn werk. De auto met pech hindert de doorstroming van het verkeer.