hinder

Thesaurus

hinder:

ongemaklast,
Vertalingen

hinder

Hemmnis, Lästiges, Schranke, Verlegenheitembarrassment, perplexity, abashment, troubleembarras, inconvénient, agression, gênesmacco (ˈhɪndər)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud
wat je hindert iedere dag hinder ondervinden van de lange files Drukke kinderen zijn mijn oude moeder tot hinder.