hij

Vertalingen

hij

er, ihm, ihn, seinerhe, him, itil, lui, garçon, homme, il/elle, mâle, yαυτόςélegli, esso, luihanонهُوَonhanhänon彼は그 남자ondiretor, elehanเขาผู้ชายoanh ấy (hɛi)
voornaamwoord
<je gebruikt dit woord als je naar een man of naar een de-woord verwijst, als die het onderwerp van de zin is> Mijn vader is vroeg opgestaan. Hij gaat vissen. De auto staat al tijden voor de deur. Hij is kapot.