huishouden

(doorverwezen van hield huis)
Thesaurus

huishouden:

huishouding
Vertalingen

huishouden

(ˈhœyshɑudə(n))
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -s
1. groep personen die samenwonen Ruim 2 miljoen huishoudens in Nederland hebben digitale televisie. eenpersoonshuishouden
2. werk om je huis opgeruimd en schoon te houden het huishouden doen

huishouden

haushalten, Wirtschaft, wirtschaften, Haushaltkeephouse, manage, householdménage, faire rage, se livrer à des excèsأَهلُ البَيْتُdomácnosthusholdningνοικοκυριόhogar familiar, hogartalousdomaćinstvofamiglia家族가족husholdninggospodarstwo domoweagregado familiar, residentes, agregadoдомочадцыhushållครอบครัวhane halkıhộ gia đình家庭משק בית家庭 (ˈhœyshɑudə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd hield huis , voltooid deelwoord heeft huisgehouden
met veel lawaai schade veroorzaken De storm heeft vannacht flink huisgehouden. Er zijn veel huizen beschadigd.