houden

(doorverwezen van hield)
Thesaurus
Vertalingen

houden

aufhalten, einschließen, enthalten, halten, hervorrufen, behaltenhold, cause, causetotakeplace, hangonto, clam up, judge, keeptenir, causer, procurer, renfermer, situer, garder, contenir, aimer, donner, être solide, exploiter, faire, prendre (pour), tenir (bien)αγαπώ, κρατώ, διατηρώдержать, содержать, сохранятьيَبْقَىnechat siholdeguardar, mantenersesäilyttääzadržatitenere持ち続ける유지하다beholdezatrzymywaćguardar, manterbehållaคงรักษาไว้tutmakgiữ保持保持 (ˈhɑudə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd hield , voltooid deelwoord heeft gehouden
1. afstaanweggeven hebben en bewaren Ik hoef het boek niet terug te hebben, je mag het houden
2. loslaten vasthouden of vast blijven zitten iemand bij de hand houden Het plakband is oud en houdt niet meer.
(iets) niet vertellen een geheim voor je houden
steeds moeten overgeven
3. laten plaatsvinden of uitvoeren een lezing houden Het congres wordt gehouden in Amsterdam.
4. (dieren) verzorgen kippen houden
5. niet meer kunnen verdragen Ik houd het niet meer van de hoofdpijn.