hiel

Vertalingen

hiel

Ferse, Hackeheeltalonφτέρναalìnea, calcagno, taccoكَعْبpatahæltalónkantapääpetaかかと뒤꿈치hælpiętacalcanharпяткаhälส้นเท้าtopukgót chân脚后跟העקב (hil)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
achterste deel van je voet, of deel van een kous die dat stuk voet bedekt op je hielen lopen als je teen bloedt een gat in de hiel van je sok hebben
vlak achter iemand zijn die wegrent of wegrijdt De politie zat de bankrover op de hielen
weggaan