heten

Vertalingen

heten

heißen, benennen, ernennen, nennencall, becallednommer, s'appelerchiamare, chiamata, famallamadoнаречен (hetə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd heette , voltooid deelwoord heeft geheten
1. de naam hebben als genoemd Ik heet John en hoe heet jij? een mooi restaurant in de bossen, 'Boslust' geheten
2. (iemand) zeggen dat het fijn is dat hij of zij er is