het

Thesaurus

het:

ie
Vertalingen

het

(hɛt/ət)
lidwoord
<woord dat je combineert met een onzijdig zelfstandig naamwoord> het huis met de tuin Dit is het beste dat ik krijgen kon.

het

es, am, das, der, die, ihmit, the, totheil, le, l', la, lui, y, à l', à la, au, aux, elle, les, au [à + le], c', ça, ça/cela, ce, des [de + les], en, le/la, le/la/l' … majeur(e), le/la/l' … par excellence, le/la/l' … qu'il me (te, lui etc.) faut, ce/c'/ç', le/la/lesa lui, essoهُو/هِيtodenαυτόlosetoそれは그것dentopronome que se refere a coisas inanimadasон, она, оноdenมันo (hɛt/ət)
voornaamwoord
1. <je gebruikt dit woord als onbepaald onderwerp of lijdend voorwerp> Het regent. Het zijn echte Hollanders. Ik houd het hier wel uit.
2. <je gebruikt dit woord als je verwijst naar een onzijdig woord> We gingen naar een natuurpark, maar het was al gesloten.