hen

Thesaurus

hen:

hunhoen, kip,
Vertalingen

hen

(hɛn)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud -nen
vrouwelijke kip

hen

sie, Hennechicken, them, fowl, hen, theypoule, eux, les, elles, leur, le/la/les, pouletκότα, αυτούςهُمْjedemloshenjihloro彼らを그들을demichos, eles, lhesимdemพวกเขาonlarıhọ他们他們 (hɛn)
voornaamwoord
<als je over meer mensen praat en ze niet het onderwerp van de zin zijn> We moeten nog even op hen wachten. We vertrouwen de buren dus we hebben hen onze huissleutel gegeven.