hem

Vertalingen

hem

ihm, ihn, er, seinerhim, he, tohimlui, le, l', à lui, il, le/la/les, yél, lolui, essoضَمِيرُ الـمُفرَدُ الغَائِبُhohamαυτόνhännjega彼を그 남자를hamjegoeleегоhonomเขาผู้ชายonu, onaanh ấy (hɛm)
voornaamwoord
<dit zeg je als je over een man praat of over iets dat het lidwoord 'de' heeft> Mijn vriend zal zo wel komen, maar ik zie hem nog niet. Het is een mooie fiets, maar ik heb hem niet nodig.