helft

Thesaurus

helft:

tweede
Vertalingen

helft

Hälftehalfmoitié, mi-temps, demimetadeنِصْفpolovinahalvdelμισόmitadpuolikaspolovicametà半分절반halvpartpołowaполовинаhälftครึ่งหนึ่งyarımmột nửa半数, 一半一半חצי (hɛlft)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
elk van de gelijke delen als je iets middendoor deelt iets voor de helft van de prijs aanbieden
in tweeën een appel door de helft snijden
halverwege Op de helft van de rit moesten we terugkeren.