heersen

Vertalingen

heersen

regieren, beherrschen, herrschenrule, control, govern, restraingouverner, régner, surveiller, (pré)dominer, régner (sur)يَتَحَكَّمُvládnoutstyreκυβερνώgobernarhallitavladatigovernare支配する통치하다regjererządzićgovernarуправлятьstyraปกครองyönetmeklãnh đạo统治 (ˈhersə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd heerste , voltooid deelwoord heeft geheerst
1. de macht hebben over
speel mensen tegen elkaar uit om zelf meer macht te hebben
2. actueel zijn de heersende meningen in Nederland Er heerst griep.