heer

Thesaurus
Vertalingen

Heer

(her)
zelfstandig naamwoord mannelijk
<aanspreekvorm voor God of Jezus> Heer vergeef ons onze zonden.

heer

Herr, Heer, König, rmee, Unmasse, Unzahl, Wirtgentleman, king, army, boss, lord, master, man, sirmonsieur, armée, maître, roi, gentleman, seigneur, armée militaire, multitude, patron, hommeάνδρας, κύριοςseñorsignoreгосподинpanמר先生Г-Нالسيد先生미스터 (her)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud heren
1. man Goedemiddag dames en heren Mag ik u voorstellen aan de heer en mevrouw Smit? herentoilet
2. keurige en beschaafde man op bezoek bij je schoonouders je als een heer gedragen
3. vinden dat je de baas bent