wegleggen

(doorverwezen van heeft weggelegd)
Vertalingen

wegleggen

bergen, suspendieren, zurücklegenputaway, storeenlever, ôter ('wɛxlɛxə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd legde weg , voltooid deelwoord heeft weggelegd
op een andere plaats leggen Toen er aangebeld werd, legde ze snel het boek weg.
niet mogelijk zijn voor (iemand) Tweemaal per jaar op vakantie gaan is niet voor iedereen weggelegd.