verwennen

(doorverwezen van heeft verwend)
Vertalingen

verwennen

hätscheln, verhätscheln, verzärteln, verziehen, verwöhnenspoil, coddle, pamper, petdorloter, gâter, choyerيُدَلِّلُrozmazlitforkæleκακομαθαίνωconsentir, malcriarhemmotellarazmazitiviziare甘やかす망치다skjemme bortrozpieszczaćmimarбаловатьskämma bortตามใจşımartmaklàm hư宠溺 (vər'wɛnə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd verwende , voltooid deelwoord heeft verwend
heel lief, goed, gul enz. zijn (voor iemand) zich lekker laten verwennen De laatste tijd worden we niet verwend met mooi weer.