wankelen

(doorverwezen van heeft gewankeld)
Vertalingen

wankelen

taumeln, wackeln, zagen, zaudern, zögern, wankenwaver, hesitate, staggerchanceler, tituber, barguigner, hésiter, vacillerbarcollare, ondeggiamento, svolazzare, vertereيَتَهَادَىpotácet sevakleτρικλίζωtambalearsekävellä horjuenteturatiよろめく비틀거리다vinglezatoczyć sięcambalearидти шатаясьragglaเดินเซsendelemekđi loạng choạng蹒跚 ('wɑŋkələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd wankelde , voltooid deelwoord heeft gewankeld
1. het evenwicht verliezen en daardoor heen en weer bewegen De kostbare vaas wankelde even, maar bleef gelukkig staan.
2. niet meer zeker of vast zijn Mijn geloof in jou is aan het wankelen gebracht.