varen

(doorverwezen van heeft gevaren)
Thesaurus
Vertalingen

varen

(varə(n))
zelfstandig naamwoord meervoud -s
groene plant met lange bladeren met sporen

varen

Farnkraut, fahren, Farn, Farrenkrautfern, navigate, travel, go, ride, ascend, descendfougère, naviguer, aller, aller en véhicule, se déplacer, aller (à)πηγαίνω, φτέρηfelceسَرْخَسkapradinabregnehelechosaniainenpapratシダ고사리bregnepaproćfeto, samambaiaпапоротникormbunkeต้นเฟิร์นeğrelti otudương xỉ (varə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd voer , voltooid deelwoord heeft gevaren
1. je met een boot over het water bewegen op de Noordzee varen
2. in een situatie zijn dat het goed met je gaat
een plan niet door laten gaan