rammelen

(doorverwezen van heeft gerammeld)
Vertalingen

rammelen

(faire) cliqueter, claquer du bec, ne pas tenir debout, secouer (ˈrɑmələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd rammelde , voltooid deelwoord heeft gerammeld
1. een onregelmatig geluid maken een rammelende ketting
grote honger hebben
2. (van een verhaal) niet geloofwaardig zijn of niet goed opgebouwd zijn Het betoog rammelde aan alle kanten.
3. iemand heen en weer schudden, met de bedoeling dat dat onaangenaam is